Gabriele Goettle (°1946) is een journaliste die de breekpunten in de Duitse samenleving in haar reportages opspoort en belicht. Ze röntgent de toestanden en personen die ze behandelt, waarbij het soms hilarisch wordt. Niet altijd hoeft ze zich ver te verplaatsen. Ze schittert ook vanuit de tandartsstoel. Daarin heeft ze plaatsgenomen (‘spoel nu maar eens flink’) als de tandarts haar vertelt hoezeer hij zich uitgedaagd voelde door een bejaarde dame die hem vroeg of hij haar snel een nieuw gebit kon bezorgen, omdat ze een maand later naar een familiefeestje moest. Maar de nieuwe tanden mochten niet flonkeren, ze moesten er wat afgesleten uitzien, net als de oude. Een maand later heeft de tandarts het gebit klaar, incluis groeven, oneffenheden en verkleuringen zodat de tanden een gebruikte indruk maken. De trotse tandarts hengelt naar een complimentje als hij de nieuwe tanden aan de oude dame toont: ‘Wel, die zien eruit alsof ze op het kerkhof uitgegraven zijn, zo echt, vindt u niet ook?’
Categorie: Blog (Pagina 6 van 17)
Als antwoord op de Russische ‘denazificering’ van Oekraïne heeft Oekraïne de deëlektrificering van Rusland met behulp van de F16 aangekondigd.
Liefde, wat is dat? vraagt Marcel Reich-Ranicki zich in Mijn leven af. Hij probeert de kortst mogelijke definitie te geven: ‘Liefde noemen we dat extreme gevoel dat van genegenheid naar passie tendeert en van passie naar afhankelijkheid; het vervoert het individu in een extatische stemming die de toerekeningsvatbaarheid van de betrokkene kan beperken: het is een geluk dat smart veroorzaakt en een smart die de mens gelukkig maakt.’ Maar Marcel Proust, niet meteen om een woord verlegen, treft in La Recherche de spijker op de kop door het verschijnsel kortweg een gezegend kwaad te noemen.
Marek Zubik, die rechter was van het Poolse Constitutionele Hof op het moment dat het door de nationaal-conservatieve PiS werd gekaapt, heeft zijn twijfels of de autoriteit van het Hof door de nieuwe coalitieregering van Donald Tusk ooit nog kan worden hersteld: ‘Als een kristallen vaas gevallen is en in duizend scherven is gebroken, hoe repareer je ze dan?’
Café Strauss, in een nis van het Friedrichswerderscher Friedhof in de Bergmannstrasse is Christian, een oude bekende, naast een glas rode wijn aan het werk. Hij vertaalt een Franse roman van een Marokkaanse vriend in het Duits. Christian vindt geen Duits equivalent voor het Franse woord ‘entassement’. ‘Anhäufung’ bevalt hem niet en hij besluit het woord helemaal niet te vertalen. Hij vertelt over een dialoog die hij voor ik eraan kwam heeft afgeluisterd van twee vrouwen die zo-even nog naast hem zaten. De term ‘geistig Behinderter’ (mentaal gehandicapte) hadden ze verworpen ten gunste van de uitdrukking ‘geistig Herausgefordeter’ (mentaal uitgedaagde). Voor een mens over wie men vroeger zei dat hij ‘verhaltensauffällig’ is (opvallend door zijn gedrag, eigenlijk al een eufemisme voor ‘gestoord’) hadden die twee vrouwen de nieuwe term ‘verhaltenskreativ’ (creatief door zijn gedrag) bedacht. We roddelden ook over twee Duitse talkshow-intellectuelen die bij heel wat vrouwen van halverwege de veertig goed in de markt liggen. De filosoof Richard Precht en de socioloog Harald Welzel, die in hun boek Die vierte Gewalt de media aanvallen omdat die overwegend partij zouden kiezen voor Oekraïne. Via kromme redeneringen verzetten die twee zich tegen westerse en Duitse wapenleveringen aan Kyiv. Naar aanleiding daarvan noemde de zanger en dichter Wolf Biermann die twee intellectuelen destijds in Die Zeit ‘valse pacifisten’ en ’Secondhand-Kriegsverbrecher’.
Een bekend ‘hapaxlegomenon’, dat bovendien het langste woord uit Shakespeares oeuvre is, komt voor in Love’s Labour’s Lost: ‘Honorificabilitudinitatibus’, de datief meervoud van het Latijnse ‘honorificabilitudinitas’, het vermogen om eer op te strijken. Het is bovendien een van de zeldzame tongbrekers waarin klinkers en medeklinkers elkaar aflossen, en kan alleen uitgesproken worden door de acteur die de grapjas Costard vertolkt.
Er zijn er woorden die het zelf zoeken door te overdrijven. Telkens als ik het solitaire ‘Hapaxlegomenon’ aan mijn deur hoor kloppen, roep ik: ‘Jij komt er niet in. Eigen schuld, dikke bult.’
Iedereen kent de kapotgeciteerde passage uit De tijgerkat: ‘Als we willen dat alles blijft zoals het is, moet alles anders worden.’ Je zou Lewis Carroll een voorloper van de lampedusiaanse paradox kunnen noemen: ‘“Wat een langzaam land!” zei de Koningin. “Want hier moet je je benen uit je lijf rennen om op dezelfde plaats te blijven, snap je”.’
Voor die dwerg is geen ruimte in ons sprookje. Met zijn pinnenmuts op is hij te groot voor een kabouter.
Kafka’s paradoxen en contradicties vormen schijnbaar geen probleem meer als je beseft dat hij in een tussenwereld leeft. Vandaar dat je niet meer geïrriteerd bent als hij een gebeurtenis als een ‘plechtige onplechtigheid’ (‘feierliche Unfeierlichkeit’) omschrijft of als hij al in zijn tweede brief (28 9 1912) aan Felice Bauer schrijft dat hij eerst de onzekerheden in zich moet ophopen voor ze een kleine zekerheid worden. Acht jaar later klaagt hij in een van zijn brieven aan Milena Jesenská over ‘die zwei in mir’ en over de kwelling van ‘een ploeg’ die ‘door mijn slaap – en door mijn dag’ getrokken wordt. Maar hij is zelf de dag- en nachtploeg die aan weerszijden van de voor dammen opwerpt, en dat is voor een keer niet in tegenspraak met de tussenwereld waarin hij schijnbaar stilstaat, als een haas in de sneeuw. Wie anders dan Kafka kan ‘staan trappelen met totaal ongeschikte vleugels’? Alleen de tussenwereld is de zijne: ‘Ich war wie nicht von dieser Welt, aber auch von keiner andern.’